Magazine

Column: Help

Foto: Architectenweb Maarten van Haaf

De onlangs geopende 15e Architectuurbiënnale in Venetië verwart. De tentoonstelling vormt, onder de noemer 'Reporting from the Front', een sterk pleidooi voor architectuur en ontwerpkracht, maar onduidelijk is wat deze nieuwe relevantie betekent voor het lot van de architect. Zorgt hij ook voldoende voor zichzelf om de strijd te overleven?
 
Curator en Pritzker Prize winnaar Alejandro Aravena noemt een lange reeks problemen die architectuur kan helpen oplossen: ongelijkheid, duurzaamheid, mobiliteit, afval, criminaliteit, vervuiling, gemeenschapszin, migratie, uitsluiting, natuurrampen, 'informaliteit', 'periferie', huisvesting en leefbaarheid. Aravena heeft hierin ook een reputatie. Thuis in Chili droeg hij bij aan de reconstructie van de door een overstroming weggevaagde stad Constitución. In de New York Times vertelde hij hoe hij voor de hand liggende maar slechte oplossingen van politici en ingenieurs tegenhield door een sterk verbond met de lokale bevolking. De architect als redder in de nood, de beslissende factor in de totstandkoming van veel slimmere oplossingen die uiteindelijk door iedereen juichend werden omarmd. Dat herinnert aan de modernistische alleswetende architecten die maatschappelijke problemen kaapten als alibi voor experiment en vormgevingswellust. Oude wijn in nieuwe zakken misschien?
 
Nee hoor. De hoofdtentoonstelling toont integere ontwerpers die zich vastbijten in specifieke, vaak lokale problematiek en op basis van gedegen onderzoek, zelf ontwikkelde kennis, grote creativiteit en heel veel energie waardevolle bijdragen leveren aan de oplossing ervan. Juist niet als alwetende redders, maar als dienstbare helpers - coöperatieve specialisten in breed samengestelde teams. De resultaten zijn vaak ook nog échte architectuur, een ware 'Achitettura Povera' met betekenis en schoonheid uit schaarste. Deze Biënnale viert de meerwaarde van architectuur.
 
Eind goed al goed, of toch niet? Eén antwoord ontbreekt: hoe kunnen deze architecten zich het werken aan zulke projecten veroorloven? Lelijker, maar begrijpelijker: waar is het verdienmodel? Misschien een banaal onderwerp, maar het lijkt bijna opzettelijk vermeden. Als een taboe.
 
Hoe Zumthor en Ando het zich kunnen permitteren om te werken – eindeloos lang – aan ontwerpen voor musea is niet moeilijk te bedenken. Dat Richard Rogers geld overhoudt voor onvermoeibare studies naar betaalbare woningen verbaast evenmin. Maar hoe in veruit het meeste getoonde werk de sobere context van schaarste en armoede zich verhoudt tot de bewonderenswaardige hoeveelheid kennis, energie en tijd die erin geïnvesteerd is blijft onduidelijk. Hoe kan dit uit?
 
Zijn hier pro deo architecten aan het werk die zichzelf volledig wegcijferen voor de architectuur? Filantropen dus eigenlijk, die zelf ook in barre omstandigheden leven? Houden ze er een tweede broodlijn op na of een rijke echtgenoot? Stelen ze van de rijken om te kunnen ontwerpen voor de armen? Is het ‘front’ alleen bereikbaar voor architecten die geld meebrengen? Waar waarde wordt gecreëerd zonder dat daar waardering tegenover staat – en dan natuurlijk geen schouderklopjes of aandacht op prestigieuze tentoonstellingen – gaat iets fout, zou je zeggen.
 
Ook hier, veilig ver van het front, kennen we ze allemaal wel: opdrachtgevers die werkelijk schijnen te denken – hopelijk uit naïviteit – dat je als architect van voldoening kunt bestaan. En vanuit de gretigheid om goed te doen, het verlangen iets moois te maken waar mensen wat aan hebben en van houden, cijferen we onszelf misschien te snel weg. Toch is dat gevaarlijk. Naar verluidt ziet de directeur van een grote Nederlandse verzekeraar af van salaris omdat hij vindt dat hij wel genoeg heeft verdiend. Toen ik aanbood om af te zien van een vergoeding voor deze columns was het antwoord veel doordachter: onwenselijk, want dat zou een devaluatie van het werk zelf betekenen.
 
Is het in het licht van alle misstanden in deze tentoonstelling niet enigszins gênant om over verdienmodellen te klagen? Ik denk het niet. Architectuur – ontwerpkracht – wint duidelijk opnieuw aan relevantie. Maar we kunnen niet laten gebeuren (of zelfs zelf veroorzaken) dat architecten het desondanks steeds moeilijker krijgen. Voor een duurzame toekomst van het architectenvak mogen we onszelf nooit in de uitverkoop doen. Zo bezien is de architect-filantroop de nagel aan de doodskist van de architectuur. En wie helpt er dan?

U bent hier

Rotterdam

Contact

Ector Hoogstad Architecten

Laanslootseweg 1
3028 HT Rotterdam
Postbus 818
3000 AV Rotterdam

T 010 440 21 21
E info@ectorhoogstad.com »